excerpt: Wie nucleaire capaciteit terug naar de staat haalt, krijgt niet alleen stroomzekerheid maar ook decennia aan technische verplichtingen en financiële blootstelling. De echte vraag is welke risico’s publiek worden zodra een private exploitant ze niet langer wil dragen.
België koopt geen kerncentrales, maar een risico
België wil exclusief met Engie en Electrabel onderhandelen over een mogelijke overname van alle nucleaire activiteiten. Daarmee wordt niet alleen de voortzetting van de exploitatie van de twee nog in bedrijf zijnde reactoren Doel 4 en Tihange 3 bedoeld, maar het volledige nucleaire pakket: zeven reactoren op de locaties Doel en Tihange, personeel, dochterondernemingen, activa, lopende verplichtingen, ontmanteling, stillegging en de daarmee gepaard gaande risico’s. Tegen 1 oktober 2026 moeten de hoofdlijnen bekend zijn. Nu al moeten ontmantelings- en stilleggingswerkzaamheden worden opgeschort, zodat de staat alle opties openhoudt.
Op het eerste gezicht lijkt dit een terugkeer naar staatsverantwoordelijkheid voor de voorzieningszekerheid. België wil bestaande reactoren langer gebruiken en nieuwe nucleaire capaciteit ontwikkelen. Dat past bij de politieke situatie: de vraag naar stroom, klimaatdoelstellingen, industriebeleid en de onzekerheid over importafhankelijkheid wijzen allemaal in dezelfde richting. Een regering kan hieruit afleiden dat ze niet langer wil vertrouwen op een particuliere exploitant die zijn eigen rendement- en risicogrenzen stelt.
Het cruciale punt ligt echter dieper. Als een ervaren exploitant zijn nucleaire activiteiten wil afstoten, hoewel elektriciteitsopwekking uit afgeschreven installaties in bepaalde marktfasen hoge opbrengsten kan opleveren, is dat geen bijzaak. Engie kent de installaties, de technische moderniseringsverplichtingen, de wettelijke eisen, de personeelsbinding, de brandstofcycli en de kostenpaden van de ontmanteling beter dan welke nieuwe eigenaar dan ook. De staat koopt in zo'n geval geen simpele hefboom voor de voorzieningszekerheid. Hij neemt een pakket van technische afhankelijkheden, politieke verwachtingen en langetermijnbetalingsverplichtingen over.
De geplande transactie draait precies om deze kern. Ze omvat uitdrukkelijk ook de passiva. Bij kernenergie zijn deze passiva geen technische bijlage, maar een essentieel onderdeel van de deal. Ontmanteling, stillegging, afvalverwerking, veiligheidsaanpassingen en de financiering daarvan over vele decennia kunnen niet worden behandeld als gewone exploitatiekosten. Ze hangen af van aannames over looptijden, rentetarieven, toezichtseisen, beschikbare vakmensen, technische bevindingen en politieke beslissingen die later onder andere omstandigheden worden genomen. Dat er begin 2026 al sprake was van mogelijke extra miljarden aan kosten voor de ontmanteling, laat zien waarom deze passiva niet zomaar mogen worden overgenomen. Ze vormen een centraal onderdeel van de prijs.
Opvallend is ook de voorwaarde dat de transactie geen onevenredige negatieve of positieve gevolgen mag hebben voor de algemene financiële situatie van Engie en Electrabel. Dat klinkt als evenwicht, maar beschermt in de eerste plaats de balanslogica van de verkoper. Voor de staat is daarmee nog niets gewonnen. Het gaat er niet om of Engie er zonder kleerscheuren uitkomt, maar of België voor de overgenomen risico’s een passende prijs, duidelijke aansprakelijkheidsgrenzen en solide voorzieningen krijgt. Als een particulier concern uit een risicovolle activiteit wordt gehaald zonder dat zijn financiële situatie wezenlijk wordt belast, moet heel precies worden uitgezocht welke risico’s in de toekomst bij de belastingbetaler terechtkomen en welke tegenprestaties België daarvoor krijgt.
De opschorting van lopende ontmantelings- en sluitingswerkzaamheden maakt dit punt nog urgenter. Politiek gezien creëert het speelruimte. Economisch gezien stelt het beslissingen uit die al in gang waren gezet, en houdt het installaties in een toestand die verdere controles, beveiligingen en personeelsbinding vereist. Elke vertraging kan zinvol zijn als er daardoor realistische opties ontstaan. Maar het kan ook de kosten verhogen, verantwoordelijkheden vervagen en een latere ontmanteling ingewikkelder maken. Het behouden van opties is niet gratis. De oorzaak ligt in de organisatie van kernenergie. De voordelen lijken relatief zichtbaar in de vorm van stroomproductie, voorzieningszekerheid en stabiliteit voor het industriebeleid. De kosten komen verspreid, vertraagd en onder regelgevende onzekerheid naar voren. Een particuliere exploitant beoordeelt deze risico’s op basis van kapitaalvastlegging, aansprakelijkheid, politieke inmenging en verwacht rendement. Een staat beoordeelt daarnaast ook de voorzieningszekerheid en strategische controle. Maar daaruit volgt nog geen rechtvaardiging voor de aankoop. Het betekent alleen dat de staat andere redenen kan hebben om risico’s te dragen die een bedrijf niet meer wil dragen.
Daarom zou een aankoop alleen verantwoord zijn als België vóór het sluiten van het contract meer duidelijkheid verschaft dan alleen de eigendomsoverdracht. De technische staat van elke reactor moet apart worden beoordeeld. Voor verlengingen van de levensduur zijn realistische kostenramingen nodig voor aanpassingen, vergunningen en personeel. De voorzieningen voor ontmanteling en afvalverwerking moeten worden getoetst aan realistische scenario's, niet aan politieke doelstellingen. Ook mag de kwestie van nieuwe nucleaire capaciteit niet stilzwijgend worden vermengd met de aankoop van oude installaties. Het overnemen van oude reactoren en het ontwikkelen van nieuwe reactoren zijn verschillende taken met verschillende risico's.
De staat kan exploitant worden. Maar hij moet dat niet doen alleen omdat de huidige exploitant eruit wil stappen. Als Engie de Belgische reactoren niet meer wil behouden, is dat geen argument voor een snelle instap van de staat, maar een opdracht om prijs, aansprakelijkheid en bevoegdheid te onderzoeken. Bevoorradingszekerheid ontstaat niet door een eigendomsoverdracht. Die ontstaat pas als technische risico’s, financiële verplichtingen en politieke doelstellingen in dezelfde berekening worden meegenomen.