excerpt: Met de verkiezing van Aimen Horch tot voorzitter van Groen verschijnt hoop niet als emotie, maar als politieke vorm om onzekerheid en controleverlies te organiseren. De kritiek op Big Oil and Gas en de heffing op overwinsten richten zich op een energiesysteem dat kwetsbaarheid vergroot en winsten naar boven doorschuift.
Hoop als antwoord op structurele onzekerheid
Afgelopen zaterdag werd Aimen Horch verkozen tot nieuwe voorzitter van Groen in België. Ik heb hem mee verkozen. Doorslaggevend was daarbij niet alleen zijn persoon, maar de politieke vorm waarmee hij naar voren kwam: een campagne rond hoop. Dat valt op, omdat hoop in de politiek vaak als een zacht gevoel wordt behandeld. Hier wordt ze anders ingezet. Niet als sfeer, maar als antwoord op een structureel probleem: het verlies aan controle in een samenleving die tegelijk prijsvolatiliteit, geopolitieke escalatie en politieke machteloosheid ervaart.
De voor de hand liggende lezing zou zijn dat Horch gewoon een emotioneel aansprekende boodschap heeft gevonden. Dat is te kort door de bocht. In zijn tekst is hoop geen tegenpool van angst. Ze is een poging om materiële onzekerheid politiek te organiseren. Wanneer mensen hun energiefactuur niet meer kunnen inschatten, ontstaat onzekerheid. Wanneer internationale conflicten zich rechtstreeks vertalen in nationale prijzen, wordt die onzekerheid structureel. Wanneer regeringen blijven inzetten op fossiele afhankelijkheid, wordt ze bestendigd. Hoop wordt in dat kader een politieke categorie van stuurbaarheid.
Ook zijn interventie rond Big Oil and Gas is daarom meer dan een aanval op winstgevende bedrijven. Ze volgt een duidelijke logica. Fossiele bedrijven profiteren in crisissituaties niet toevallig. Hun businessmodel is ingebed in markten waar schaarste, geopolitiek risico en machtsconcentratie regelmatig tot extra winsten leiden. Het probleem ligt dieper. Het gaat niet alleen om hoge winsten. Het gaat erom dat het energiesysteem winsten juist naar boven doorschuift op het moment dat de kwetsbaarheid voor gezinnen en economieën toeneemt.
De voorgestelde heffing op overwinsten richt zich op dat mechanisme. Dat zou een ingreep zijn in de verdelingslogica van een crisisgevoelig systeem. Wanneer oorlog, geopolitieke druk en fossiele prijsvorming samenkomen, ontstaan winsten zonder bijkomende productieve inspanning van bedrijven. Die winsten zijn politiek relevant, omdat ze tonen waar macht in het systeem geconcentreerd is. Zo’n heffing erkent dat energiemarkten geen neutrale markten zijn. Ze zijn tegelijk veiligheids-, sociale en industriepolitiek.
Belangrijk is ook wat zo’n belasting op zichzelf niet doet. Ze corrigeert de verdeling. Ze verandert nog niet automatisch de structuur. Als de inkomsten enkel sociale pijn verzachten, blijft de fossiele afhankelijkheid bestaan. Als ze daarentegen worden ingezet voor netten, opslag, efficiëntie en hernieuwbare capaciteit, wordt een crisisheffing een hefboom voor systeemverandering. Het verschil zit niet in de hoogte van de belasting, maar in de inbedding ervan in een transitiestrategie.
Precies daarom is het voorstel van Horch een sterke basis voor andere politici in Europa. Het verbindt drie niveaus die in het Europese debat vaak los van elkaar worden behandeld: koopkracht, veiligheid en decarbonisatie. Veel regeringen behandelen energieprijzen als een sociaal vraagstuk, defensie als geopolitiek en klimaatbeleid als een langetermijnproject. Dat is analytisch fout. Fossiele afhankelijkheid verbindt deze domeinen. Wie olie en gas importeert, importeert prijsschokken, geopolitieke afhankelijkheid en budgettaire druk. Wie die afhankelijkheid afbouwt, versterkt tegelijk veerkracht, voorspelbaarheid en strategische autonomie.
Voor Europa is dat cruciaal. Het continent is bijzonder kwetsbaar omdat het sterk in wereldmarkten geïntegreerd is, maar voor fossiele grondstoffen structureel afhankelijk blijft van externe leveranciers. Daaruit volgt een eenvoudige vaststelling: energiebeleid is vandaag veiligheidspolitiek met andere instrumenten. Een overwinstenbelasting op fossiele bedrijven kan in die context meer zijn dan een populaire maatregel. Ze kan het politieke debat herschikken. Weg van de vraag of burgers de kosten van de crisis moeten dragen. Naar de vraag welke actoren aan crisissen verdienen en hoe die middelen kunnen worden ingezet om afhankelijkheid af te bouwen.
Dat maakt het voorstel breder inzetbaar dan enkel binnen het groene kamp. Het vertrekt niet van één gedeelde klimaattaal. Het steunt op een robuustere logica: wie kwetsbaarheid wil verminderen, moet afhankelijkheden afbouwen. Wie afhankelijkheden afbouwt, moet de fossiele rentelogica politiek begrenzen. Wie dat niet doet, bestendigt het probleem.
De kracht van Horch ligt dan ook minder in verontwaardiging over Big Oil dan in de politieke hercodering van het thema. Hij verschuift de focus van individueel gedrag naar systemische prikkels. Dat is preciezer. Fossiele bedrijven handelen binnen een orde die crisiswinsten mogelijk maakt en afhankelijkheid reproduceert. Wie die orde wil veranderen, moet ingrijpen in eigendomsstructuren, markregels, investeringsstromen en publieke prioriteiten.
De consequentie is duidelijk. Europese politiek heeft een taal en praktijk nodig die de overgang naar hernieuwbare energie niet behandelt als een moreel nevenproject, maar als antwoord op een concrete kwetsbaarheidsstructuur. Een heffing op fossiele overwinsten is daarvoor een bruikbaar begin, op voorwaarde dat ze deel uitmaakt van een bredere transformatie.
Hoop wordt pas politiek geloofwaardig wanneer ze gekoppeld is aan echte stuurkracht. Daar wordt de aanpak van Horch interessant. Het is geen oproep tot betere gevoelens, maar een poging om onzekerheid bij de bron aan te pakken. Fossiele afhankelijkheid is geen natuurtoestand. Ze is politiek gemaakt. En precies daarom is ze veranderbaar.
Zijn toespraak is hier te lezen: https://www.groen.be/speech_lentedrink