excerpt: De tekst plaatst hedendaagse klachten over toeristen in historisch perspectief door Belgische kranten uit 1926 te vergelijken met huidige discussies. Een zwakke Belgische frank maakte het land goedkoop voor buitenlanders en voedde zowel economische voordelen als morele en sociale irritatie bij bewoners.

Klachten over toeristen en de invoering van een Belgische toeristentaks in 1926

De hedendaagse discussie over toeristen klinkt vaak alsof ze nieuw is. We spreken over selfietoeristen, frigoboxtoeristen en pyjamatoeristen, over bezoekers die een stad consumeren als decor, en bezoekers die er werkelijk tijd in doorbrengen. Ook toeristische diensten publiceren gedragscodes, soms met een morele ondertoon die vooral verraadt hoe moe bestemmingen zijn van hun eigen succes. Toch is het nuttig om die reflex historisch te maken. Wie in de Belgische kranten van 1926 bladert, herkent verrassend veel van het huidige vocabulaire, alleen in een andere taal en met een ander klassebesef.

In de zomer van 1926 werd België, zo schreef men, letterlijk overrompeld door vreemdelingen. Het was een rush van toeristen uit landen met een hoge wisselkoers, Nederlanders, Britten, Amerikanen en Duitsers. Dat beeld van een land dat plots te goedkoop is geworden, is de sleutel tot de toon van die berichtgeving. Niet het reizen op zich werd als probleem gezien, maar de schaal, de samenstelling, en vooral de veranderde sociale betekenis van de reiziger.

Wat in die krantenstukken telkens terugkomt, is een mengeling van economische redenering en sociale irritatie. Toeristen waren welkom als ze “consumeerden” op de juiste manier, in hotels, restaurants, theaters, met gidsen en koetsen. Ze waren minder welkom wanneer ze de infrastructuur gebruikten zonder mee te betalen, of wanneer ze de lokale omgangsvormen zichtbaar verstoorden. Het onderscheid dat vandaag vaak wordt gemaakt tussen “kwalitatief” en “kwantitatief” toerisme, of tussen “verblijvers” en “dagjesmensen”, had toen al een duidelijke voorloper, alleen werd het explicieter gekoppeld aan klasse en valuta.

Daar sluit het onderzoek van Silke Geven goed op aan. Geven laat zien dat zulke klachten niet alleen spontaan gemopper waren, maar deel uitmaakten van een bredere bestuurlijke en economische herordening van toerisme in het interbellum. Toerisme werd steeds meer gezien als een sector die georganiseerd, gestuurd en gefinancierd moest worden, met een eigen infrastructuur, promotieapparaat en regulering. In die context krijgen krantenklachten een andere betekenis. Ze functioneren als publieke onderbouwing voor ingrijpen, en als taal waarin lokale belangen, middenstandsverwachtingen en nationale reputatiepolitiek bij elkaar komen.

Geven wijst er bovendien op dat de figuur van de toerist in die periode dubbelzinnig was. Enerzijds werd de toerist voorgesteld als drager van deviezen en moderniteit, iemand die België opnieuw op de kaart kon zetten na oorlog en bezetting. Anderzijds werd dezelfde toerist beschreven als iemand die de lokale orde onder druk zette, door drukte, door prijsopdrijving, door de zichtbare aanwezigheid van “vreemde” gewoonten, en door een consumptiestijl die niet in het gewenste plaatje paste. Die ambivalentie is herkenbaar in veel hedendaagse debatten, maar in 1926 werd ze extra scherp door wisselkoersen en koopkrachtverschillen. Het probleem was niet alleen dat er veel bezoekers kwamen, maar dat ze kwamen op een moment dat de verhouding tussen hun geld en lokale prijzen scheef stond.

Vanuit dat perspectief is de toeristentaks van 1926 minder een technocratische maatregel dan een poging om een nieuwe balans te vinden tussen gastvrijheid en draagkracht. Belastingen op verblijf, vaak via hotels en logies, boden een manier om inkomsten te koppelen aan de kosten van toeristische drukte, denk aan reiniging, onderhoud, politie, en publieke voorzieningen. Tegelijk maakte zo’n taks het mogelijk om een normatief onderscheid te coderen. Wie zich een hotel kon veroorloven, betaalde mee en hoorde erbij. Wie buiten dat circuit viel, bleef makkelijker zichtbaar als “lastige” toerist, iemand die wel ruimte gebruikte maar niet bijdroeg. Ook dat mechanisme is niet verdwenen, het zit nog altijd in de manier waarop steden via heffingen, vergunningen en handhaving selectief sturen op toeristische vormen die economisch wenselijk zijn.

Geven benadrukt in haar analyse ook het belang van tussenlagen, zoals lokale besturen, hotelhouders, middenstandsverenigingen en toeristische organisaties. Zij waren niet louter uitvoerders van nationaal beleid, maar actieve producenten van probleemdefinities. Ze verzamelden cijfers, formuleerden klachten, en vertaalden dagelijkse irritaties naar beleidsargumenten. In die zin is de toeristentaks niet alleen een fiscale ingreep, maar ook een institutionele erkenning dat toerisme een collectief vraagstuk was geworden. Zodra toerisme als collectief vraagstuk wordt gezien, ligt het voor de hand om het te onderwerpen aan collectieve instrumenten, belastingen, regels, en een morele taal over wat “goede” bezoekers zijn.

Dat historische beeld helpt om de hedendaagse discussie nuchterder te voeren. Veel van wat vandaag als nieuw wordt gepresenteerd, is in de kern een terugkerend spanningsveld. Bestemmingen willen bezoekers omdat ze geld en prestige brengen, maar ervaren tegelijk dat bezoekers publieke ruimte herdefiniëren. De taal verschuift, de technologie verandert, maar de structuur blijft. Zodra toerisme massaal wordt, ontstaan er verdelingsvragen, wie betaalt, wie profiteert, wie draagt de lasten, en wie mag bepalen wat passend gedrag is.

De les van 1926 is niet dat toeristentaksen “werken” of “niet werken”, daarvoor zijn context en uitvoering te verschillend. De les is eerder dat zulke taksen altijd meer doen dan geld ophalen. Ze drukken ook een visie uit op wie de gewenste bezoeker is, en op welke manier een stad of land zichzelf wil laten gebruiken. In die zin is het debat over toeristen nooit alleen een debat over toeristen. Het is een debat over publieke ruimte, lokale economie, sociale normen, en de vraag hoe een samenleving omgaat met succes dat tegelijk inkomsten en overbelasting produceert.

De goedkope frank als toeristisch lokmiddel

De Belgische frank stond in 1926 zwak. Oorlogsschade, herstelbetalingen, economische onzekerheid en inflatie drukten de koopkracht binnenlands, maar maakten België aantrekkelijk voor wie met “harde” valuta kwam. Dat mechanisme is eenvoudig en structureel. Een muntcrisis werkt als een impliciete subsidie voor buitenlandse consumptie, hotels, restaurants, uitstappen, kustvermaak. Voor lokale ondernemers kan dat een zegen zijn, voor bewoners voelt het als een dubbele belasting: eerst de eigen verarming, daarna de drukte die daaruit voortvloeit.

De pers zag vooral dat tweede. De toerist werd een zichtbare herinnering aan de scheefgetrokken verhoudingen. Hij kwam niet alleen geld uitgeven, hij kwam ook bevestigen dat de prijs van België elders bepaald werd. In dat soort context verschuift irritatie snel naar morele typering. Het is niet “er zijn veel bezoekers”, maar “welke bezoekers trekken we aan, en wat zegt dat over ons”.

Van “deftige” bezoeker naar “bezoekers van alle slag”

In de krantenstukken uit 1926 zit een duidelijk nostalgisch motief. Voor de oorlog, zo suggereerden sommige auteurs, bestond het buitenlandse publiek uit welgestelde reizigers, herkenbaar aan etiquette, gidsboek, en een zekere afstandelijke beleefdheid. In die herinnering is de toerist een soort tijdelijke aristocratische gast. Men kan hem licht belachelijk maken, maar hij blijft “deftig”, dus voorspelbaar en beheersbaar.

Het interbellum doorbreekt dat beeld. De zwakke frank democratiseert het bezoek. Kranten merken op dat er nu “bezoekers van alle slag en met alle beurzen” komen. Dat klinkt neutraal, maar in de context van de tijd is het een sociale diagnose. Reizen wordt minder exclusief, en daarmee wordt ook de toerist minder een statussymbool voor de bestemming. Het is precies op dat punt dat de categorie “ongewenst” verschijnt. Niet als formeel beleid, maar als culturele reflex, uitgesproken in termen van geur, manieren, lawaai, zeden.

Die reflex is niet alleen snobisme, al zit dat er zichtbaar in. Het is ook een poging om orde te scheppen in een nieuwe situatie waarin steden, badplaatsen en bergdorpen plots met aantallen te maken krijgen die hun infrastructuur en hun sociale normen onder druk zetten. Wanneer de schaal verandert, verandert de ervaring. Een enkele vreemde is curiositeit, een massa vreemden wordt een systeemvraagstuk.

Overlast als morele taal

Wat in die stukken opvalt, is hoe snel praktische drukte wordt vertaald naar moreel oordeel. De toerist die “niet geïnteresseerd is in culturele merkwaardigheden” maar in “lichte zeden en plezier” is een bekend type. Het is het interbellum-equivalent van de bezoeker die enkel komt voor het beeld, de roes, de snelle consumptie. De klacht dat men “alleen het verguldsel der stad” ziet en niet het “eigenlijke” leven, is tegelijk een kritiek op de toerist en een zelfbeeld van de stad. Men wil gezien worden als arbeidzaam, authentiek, complex, en voelt zich gereduceerd tot façade.

Daar zit een paradox in die ook vandaag terugkeert. Bestemmingen investeren vaak bewust in dat “verguldsel”, in verlichting, muziek, promenade, attracties, want dat is wat geld en aandacht aantrekt. Maar zodra het werkt, ontstaat de angst dat het eigenlijke leven verdrongen wordt. De toerist is dan niet enkel een bezoeker, maar een drager van een economie die de stad herstructureert. De pers van 1926 benoemt dat nog niet in termen van vastgoed of platformeconomie, maar de sociale intuïtie is dezelfde: een plek kan door bezoek ook van karakter veranderen.

Jacoba Maria de Smidt, Ardennen en Blankenberge

Tegenover die krantenstemmen staat een fotoalbum van mijn oudtante Jacoba Maria de Smidt, die in 1926 in de Ardennen en in Blankenberge vakantie vierde. Dat album is, op zichzelf, een kleine correctie op de abstracte categorie “toerist”. De pers schrijft over stromen, types, “rifraf” en wisselkoersen. Een album toont doorgaans iets anders: het ritme van verplaatsing, het zoeken naar uitzichtpunten, het poseren bij een station, een hotelgevel, een rivier, een duin. Het laat zien hoe toerisme in de praktijk vaak bestaat uit aandacht, niet uit overlast.

Tegelijk is het precies zo’n album dat zichtbaar maakt hoe de democratisering van reizen werkt. Niet alleen de elite reist, ook mensen met een bescheidener achtergrond kunnen zich verplaatsen, al is het soms spaarzaam en kort. De Ardennen en Blankenberge zijn in dat opzicht veelzeggend. De Ardennen boden natuur, koelte, wandelingen, een soort binnenlands exotisme. Blankenberge stond voor kustcultuur, promenade, drukte, en de vroege vormen van badplaatsvermaak. Het zijn twee polen van hetzelfde interbellumtoerisme: het zoeken naar rust en het zoeken naar vertier.

Als je de kranten van 1926 naast zo’n album legt, krijg je een scherp beeld van hoe “overlast” ontstaat. Niet omdat elke bezoeker zich misdraagt, maar omdat het geheel aan bewegingen, seizoenen en prijzen een plaats tijdelijk uit balans kan brengen. De lokale ervaring wordt dan samengevat in een taal van typen. De “goede” toerist is degene die past binnen het gewenste zelfbeeld en de gewenste economie. De “slechte” toerist is degene die die orde zichtbaar verstoort, door gedrag, door aantallen, of simpelweg door het feit dat hij er is.

Wat 1926 ons leert over nu

De discussie van 1926 laat zien dat toerisme altijd meer is dan ontspanning. Het is ook een onderhandeling over ruimte, geld en status. Een zwakke munt, een nieuwe spoorverbinding, een groeiende middenklasse, dat zijn structurele factoren die bepalen wie waar verschijnt. De morele oordelen volgen vaak achteraf, als een manier om die veranderingen begrijpelijk te maken en er grenzen aan te stellen.

Misschien is dat de nuttigste les. Als we toeristen in categorieën opdelen, zeggen we zelden alleen iets over hen. We zeggen ook iets over wat we van een stad, een kustplaats, of een landschap willen maken, en wie er volgens ons mag meedoen. België in 1926 laat zien hoe vroeg die vraag al gesteld werd, en hoe snel ze verhuld raakt in taal over manieren en zeden.


Bron: “Van de kwade der vreemde bezoekers, verlos ons heer!” Klachten over toeristen en de invoering van een Belgische toeristentaks in 1926 Silke Geven https://www.uantwerpen.be/en/research-groups/centre-urban-history/blog/geven2025/