Vanaf midden 2026 wil Vlaanderen ANPR-camera’s inzetten om automatisch te controleren of voertuigen verzekerd en gekeurd zijn. Efficiënt en begrijpelijk, maar het roept ook vragen op over permanente monitoring en de grenzen tussen controle en toezicht.
Efficiënt toezicht of permanente controle
Vanaf midden 2026 wil Vlaanderen automatische nummerplaatherkenningssystemen, zogenaamde ANPR-camera’s, op grote schaal inzetten om te controleren of voertuigen correct verzekerd zijn en een geldige technische keuring hebben. Overtredingen zouden automatisch worden vastgesteld en beboet, zonder dat een klassieke politiecontrole nog nodig is.
Op het eerste gezicht lijkt dit een logische en efficiënte maatregel. Minder manuele controles, minder inzet van politiecapaciteit en een hogere pakkans voor wie niet in orde is. De verplichting tot verzekering en technische keuring staat nauwelijks ter discussie. Het zijn basisvoorwaarden voor verkeersveiligheid en aansprakelijkheid.
Toch markeert deze maatregel ook een duidelijke verschuiving in hoe toezicht wordt georganiseerd. Controle gebeurt niet langer op basis van een concrete aanleiding, maar continu en op de achtergrond. Elk voertuig dat zich in de openbare ruimte begeeft, wordt automatisch gescand. De controle wordt onzichtbaar, permanent en volledig geautomatiseerd.
Wie deze ontwikkeling in isolation bekijkt, mist het bredere plaatje. ANPR staat niet op zichzelf. We kennen dit mechanisme al van trajectcontroles, slimme verkeerslichten, cameratoezicht in stadscentra, automatische parkeerhandhaving en algoritmische fraudeopsporing. Steeds gaat het om dezelfde belofte: efficiënter, objectiever, goedkoper.
En steeds schuift de grens een beetje op.
Waar controle vroeger zichtbaar en situationeel was, wordt ze nu structureel en preventief. Niet omdat iemand iets verkeerd heeft gedaan, maar omdat het systeem het technisch mogelijk maakt. De aanleiding verschuift van vermoeden naar beschikbaarheid van data.
De kernvraag is dan ook niet of elk afzonderlijk systeem verdedigbaar is. Dat is vaak het geval. De vraag is wat hun cumulatieve effect is. Welke gegevens worden verzameld, hoe lang ze worden bewaard, wie er toegang toe heeft en of burgers nog overzicht hebben over waar, wanneer en waarom zij worden gecontroleerd.
Technisch gezien is uitbreiding eenvoudig. Een bestaand camerasysteem kan morgen meer controleren dan vandaag, zonder dat er nieuwe infrastructuur nodig is. Wat vandaag beperkt blijft tot verzekering en keuring, kan later andere doeleinden krijgen. Niet noodzakelijk uit kwade wil, maar uit efficiëntiedenken.
Dat is precies waar het risico zit. Niet in één maatregel, maar in het ontbreken van duidelijke grenzen. In het gebrek aan publiek debat over proportionaliteit. In de normalisering van het idee dat permanente monitoring de standaard is en gerichte controle de uitzondering.
Meer automatisering hoeft niet automatisch te leiden tot een surveillancestaat. Maar wanneer toezicht steeds stiller, vollediger en vanzelfsprekender wordt, wordt het steeds moeilijker om dat onderscheid nog scherp te zien.
De uitdaging voor een democratische rechtsstaat is daarom niet om technologie te weigeren, maar om haar expliciet te begrenzen. Transparant, controleerbaar en met blijvende politieke en maatschappelijke verantwoording. Zonder die waakzaamheid wordt efficiënt toezicht ongemerkt permanente controle.