De afschaffing van de persconcessie werd verkocht als een rationele hervorming, maar leidde tot duurdere distributie en slechtere service. Een persoonlijk vertrekpunt om te laten zien hoe België een publieke infrastructuur ontmantelde en verbaasd was dat alles stukging.
Waar blijft mijn krant?Hoe België een publieke infrastructuur afschafte en verbaasd was dat alles stukging.
Het is een vraag die de voorbije maanden verrassend vaak werd gesteld. Aan keukentafels, in brievenbussen waar niets lag, bij helpdesks die het zelf niet meer wisten. Ooit was het een grapje, nu werd het een structureel probleem.
Voor mij eindigde die vraag vrij concreet. Ik heb mijn fysieke abonnement op het GrenzEcho ingeruild voor een puur digitaal abonnement. Niet omdat ik geen papieren krant meer wil, maar omdat ze te vaak te laat werd bezorgd. Soms tegen de middag, soms helemaal niet. Een krant die haar ritme verliest, verliest ook haar functie. Wat ’s avonds of een dag later komt, is geen ochtendkrant meer, maar archief.
Die persoonlijke keuze staat niet op zichzelf. Ze is het gevolg van een beleidsbeslissing die op papier rationeel leek, maar in de praktijk een werkend systeem ontmantelde zonder dat er een volwaardig alternatief klaarstond.
Tot eind 2023 bestond er in België zoiets als de persconcessie. Geen sexy begrip, geen onderwerp voor verkiezingsaffiches, maar wel een cruciaal onderdeel van de dagelijkse infrastructuur. Dankzij subsidies konden kranten ’s ochtends betrouwbaar bij abonnees worden bezorgd, ook in landelijke gebieden en dunbevolkte regio’s. Het was duur, ja. Maar het werkte.
De regering besliste om die concessie af te schaffen. De redenering was klassiek: de markt zou het efficiënter oplossen. Dat idee wordt telkens opnieuw opgediend als vanzelfsprekend, terwijl de geschiedenis laat zien dat het bij publieke infrastructuur structureel faalt. Concurrentie zou leiden tot betere kwaliteit tegen lagere kosten. In aanbestedingen scoorden nieuwe spelers zelfs beter dan de historische verdeler. Op papier leek het logisch. In de realiteit bleek het een misrekening.
Krantenbedeling is geen gewone markt. Ze vraagt vroege uren, vaste routes, lokale kennis en een logistiek netwerk dat elke dag opnieuw moet functioneren, zonder marge voor improvisatie. Dat systeem bleek zonder subsidies economisch nauwelijks houdbaar. Nieuwe spelers waren niet voorbereid op schaal. Onderaannemers werden ingezet tegen tarieven die kwaliteit onmogelijk maakten. Bestaande structuren werden afgebouwd voordat nieuwe stabiel waren.
Het resultaat was voorspelbaar, maar toch leek iedereen verrast. Kranten raakten zoek, kwamen beschadigd aan of werden helemaal niet bezorgd, abonnees kregen vouchers om hun krant in de winkel af te halen en callcenters draaiden overuren. Uitgevers maakten miljoenen extra kosten, terwijl de service verslechterde. Werknemers betaalden mee de rekening. En lezers haakten af.
Wat hier misging, is geen operationele fout of kinderziekte. Het is een fundamenteel misverstand over wat infrastructuur is. Krantenbedeling werd behandeld alsof het een product is dat je kunt aanbesteden zoals een schoonmaakcontract of een logistieke nevendienst. Maar het functioneerde altijd als een publieke dienst, ondersteund omdat het maatschappelijk relevant werd geacht dat informatie iedereen tijdig bereikte.
Zodra die ondersteuning wegvalt, blijft er een kale rekensom over. En die rekensom klopt niet. Dat blijkt nu uit de cijfers én uit de dagelijkse ervaring van lezers.
Mijn overstap naar een digitaal abonnement is in die zin geen technologische vooruitgang, maar een noodoplossing. Ik lees graag papier. Maar ik wil geen abonnement op onzekerheid. Een krant die niet komt, of te laat komt, dwingt je tot andere keuzes. Zo verdwijnen papieren lezers niet door digitalisering, maar door falende infrastructuur.
Het ironische is dat dit alles duurder is geworden. Niet goedkoper. De overheid bespaart op subsidies, maar de maatschappelijke kosten verschuiven naar uitgevers, werknemers en lezers. Uiteindelijk betaalt iedereen meer, voor minder kwaliteit.
Misschien is dat de kern van het probleem. We hebben een werkend systeem afgeschaft omdat het niet elegant was, niet marktconform, niet modern genoeg. En nu proberen we met pleisters, noodmaatregelen en vouchers iets te herstellen wat vroeger gewoon werkte.
De vraag “waar blijft mijn krant?” is daarom geen klacht van nostalgici. Het is een vraag over hoe we omgaan met publieke infrastructuur. Over wat we vanzelfsprekend vinden, tot het verdwijnt. En over hoe verbaasd we blijven wanneer een markt iets niet oplost wat nooit een marktprobleem was.